De innerlijke dimensie
Het trainen van een krijgskunst of van een vechtsport kan vanuit vele invalshoeken en visies. De meest voor de hand liggende is die van louter vechtechniek, zoals die wordt aangeleerd in militaire trainingskampen. Hierbij draait alles om effectieve techniek om in gevechtssituaties een vijand uit te schakelen. Het levensbeschouwelijk kader is dan meestal de bescherming van het vaderland of van de eigen cultuur. Dicht hierbij aansluitend is er de effectieve vechttechniek in onveilige straten, waarbij men zichzelf of de eigen familie beschermt. In de benadering van de ordehandhaving maakt deze vechttechniek deel uit van de middelen die de overheid aanwendt om haar wil aan de burgers op te leggen of om ze te beschermen tegen misdaad. Kortom het gaat om louter vechten.
Deze invalshoek is zeker legitiem, maar door de tijd zijn er andere benaderingen en visies op het trainen van gevechtstechnieken gegroeid.
Zo worden krijgskunsten ook beoefend met het oog op het verbeteren van de gezondheid van de beoefenaars, of verder als een bezinning op de beste manier van overleven in een moeilijke wereld.
De Japanse zen-benadering van het trainen vraagt dat de beoefenaars zich toeleggen op het perfectioneren van vastgelegde vormen. Zij polijsten hun techniek zoals de smid een zwaard polijst. Door zich aldus toe te leggen op de training slagen zij erin zichzelf te vergeten en de leegte te bereiken. Dit is de staat van mu-shin, waarbij de beoefenaar een soort eenheid met het universum bereikt. Men traint om te trainen en zich daardoor te “onthechten”, dit in een sterk formalistisch kader.
Hierbij aansluitend zijn er ook de vecht-sporten. Kampioenschap is het doel van de training. De training is streng gereglementeerd zoals bij een spel, de competitie vraagt soms een zware tol. Winnen in dit kader staat centraal. Ook demonstratie van het eigen kunnen is daarbij belangrijk, bijvoorbeeld om het meeste stenen breken, of de gevaarlijkste stunt uitvoeren.
Een manier om hierin een onderscheid te maken is door te kijken naar het doel van de training. De Japanse zen-benadering is in principe doel-loos, voor de andere kan men de vechtdisciplines rangschikken naargelang hun doel buiten of binnen de beoefenaar ligt. Het breken van een arm, het ontwrichten van een pols, het werpen van een tegenstrever zijn alle doelen die buiten de beoefenaar liggen. Men spreekt van externe krijgskunsten.
Is het daarentegen de bedoeling van de beoefenaar om de eigen fysieke en mentale gezondheid te verbeteren, om zichzelf te verbeteren als persoon, ook op moreel vlak, kortom als de beoefenaar zichzelf als doel(wit) van de training neemt, dan spreekt men van innerlijke krijgkunst.
Zoals elk onderscheid zal ook dit onderscheid deels kunstmatig zijn, met vele tussen- en overgangsvormen. Het verschil tussen het breken van stenen enerzijds tegenover ontspanning en loslaten van negatieve energie en het oplossen van blokkages anderzijds, is wel duidelijk. Deze innerlijke training is de basis, die later verder geïntegreerd wordt in de training van de vechttechnieken.
Er bestaat ook een onderscheid tussen innerlijke, verfijnde en geconcentreerde kracht, tegenover brute, externe kracht die alleen uit spierkracht voortkomt. In interne krijgskunsten cultiveren de beoefenaars interne kracht, maar deze interne kracht kan ook aangewend worden in externe krijgskunsten. De kracht die de beoefenaar aanwendt om een steen te breken, kan sterk intern opgewekt worden.
De innerlijke dimensie legt zich toe op zelfverbetering, meditatie en overleven, en geeft zo een eigen invulling aan het begrip “krijgskunst”. Die invulling staat ver af van de militaire vechttechniek, wat niet wegneemt dat de training in de effectieve techniek belangrijk blijft, wanneer men ervoor kiest die te gebruiken in uiterste gevallen van nood. Het loutere vechten is echter niet langer hoofdzaak, maar een nevenaspect van de krijgskunst.
Vereniging Voor Geweldloze Krijgskunst - vzw